6. Over de achtergronden van het boek

6.1. Thematiek

In de thematiek ga je in op de vraag: "Waar gaat het verhaal over?". Hierin komen alle belangrijke kwesties uit het verhaal aan de orde. Vat in één of enkele zinnen de inhoud van het boek samen. Het kan ook zijn dat er geen hoofdthema is, maar dat er meerdere overkoepelende thema's zijn. Om een duidelijke beschrijving van de thematiek te geven, kun je kijken naar de belangrijkste verhaalelementen, naar het motto en de titel.

Tip: Als je een boek leent bij de bibliotheek wordt vaak in de kaft van het boek het thema genoemd.

6.2. Motto

Het motto wordt door de auteur vaak in een gedicht of een spreuk verwoord. Zo vind je in 'Bezonken Rood' van J. Brouwers zelfs twee spreuken.

6.3. Taalgebruik

Geef aan wat je van het taalgebruik vindt. Is het formeel of wordt er veel gebruikgemaakt van spreektaal? Wat is de invloed van het taalgebruik op het leesgemak?

6.4. Opdracht

Aan wie is het boek opgedragen?

6.5. Vertelsituatie en perspectief

De vertelsituatie geeft aan hoe en door wie het boek verteld is. Er zijn meerdere mogelijkheden:

1. Auctoriale verteller:

Er is een alwetende 'ik', die verslag doet van alle gebeurtenissen, maar er zelf buiten staat. De auctoriale verteller maakt vaak gebruik van woorden als 'ik', 'wij', 'mijn' en 'ons'. Daarnaast weet hij hoe het verhaal afloopt, kent hij de gevoelens en emoties van de verhaalfiguren en geeft hij vaak commentaar op de situatie. Een voorbeeldzin kan zijn: "Omdat we per slot almachtig zijn ... laten we de tijd even pas op de plaats maken.".

(R. Campert - Liefdes schijnbewegingen)

2. Auctoriale vertelinstantie:

De auctoriale vertelinstantie is te vergelijken met de auctoriale verteller. Het grootste verschil is dat de auctoriale vertelinstantie geen gebruik maakt van 'ik' en 'wij'. De auctoriale vertelinstantie is te herkennen aan het commentaar dat níet door één van de verhaalfiguren zelf gegeven wordt en aan het hij-perspectief. Een voorbeeldzin kan zijn: "Aan toeval durfde ze nog steeds niet te geloven en evenmin dat mevrouw Pauchard daar geheel toevallig was geweest. Of dat ze voor een zaak kwam, die met Paulina niets te maken had. En dat ze dus ook niet aan notaris Corde verteld had haar vroegere au pair in de wachtkamer te hebben gezien. Dit sprak welhaast vanzelf.".

(W.F. Hermans - Au Pair)

3. Ik-vertelsituatie:

Het verhaal wordt verteld door de 'ik' die zelf een rol speelt in het verhaal. Een voorbeeldzin kan zijn: "Ja, Jacob, ik zei graag, want je weet: ik was nu eenmaal een doodgewone verklikker en moest hier wel op af. Jij zegt me dat het niet helemaal zo was, maar toen al een beetje anders. Het is mogelijk, ik hoop het maar.".

(J. Presser - De nacht der Girondijnen)

4. Personale vertelsituatie:

Bij deze vertelsituatie is de verteller niet nadrukkelijk aanwezig. De auteur laat het verhaal vertellen door de verhaalfiguren waarbij de vertelvorm in de derde persoon (=hij-perspectief) plaatsvindt. Daarbij zijn er twee mogelijkheden:

6.6. Verhaalopbouw

Geef aan hoe het verhaal is opgebouwd. Is er een duidelijke hoofdstukindeling, zijn de hoofdstukken genummerd, is er een epiloog (=nawoord waarin wordt verteld hoe het met de verhaalfiguren verdergaat) of proloog (=inleidend hoofdstuk waarin wordt verteld wat er aan het eigenlijke verhaal voorafgaat)?