Jeroen Brouwers
Over deze auteur
Jeroen Godfried Maria Brouwers wordt op 30 april 1940 geboren in Jakarta, het vroegere Nederlands-Indië. In 1942 komt door de Japanse invasie al snel een einde aan zijn onbezorgde jeugd. Samen met zijn grootmoeder, moeder en zusje wordt hij van 1943 tot 1945 opgesloten in het vrouweninterneringskamp Tjideng. Daar overlijdt zijn grootmoeder. Vanaf zijn tiende levensjaar brengt Jeroen zijn lagere- en middelbare schooljaren door in rooms-katholieke jongensinternaten. Een uitstapje naar de journalistiek levert niet de bevrediging die hij zoekt. In 1964 werkt hij als redacteur en directie-secretaris bij de Brusselse uitgeverij Manteau. Datzelfde jaar debuteert hij met de bundel
Het mes op de keel. In 1967 krijgt hij de Vijverbergprijs voor zijn roman
Joris Ockeloen en het wachten. Na een op de klippen gelopen huwelijk, waaruit twee kinderen worden geboren, vertrekt Brouwers in 1976 naar Nederland om zich daar geheel aan de literatuur te wijden. In 1979 verschijnt de roman
Het verzonkene, het eerste deel van een trilogie, geheel gewijd aan zijn jeugd in het voormalige Nederlands-Indië.
Bezonken rood verschijnt in 1981. Hierin beschrijft Brouwers de toestanden in het interneringskamp Tjideng. Dit boek wordt lovend ontvangen, alhoewel het publiek twijfelt aan het werkelijkheidsgehalte ervan. Het slot van de trilogie volgt in 1988 onder de naam
De Indiëromans:
De zondvloed. Thema's als liefde, literatuur en de dood spelen een grote rol in zijn, vaak autobiografische, werken. Zelf zegt hij daarover: "Ik schrijf om te overleven.". In 1993 ontvangt hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.